7 september 2026

In het kader van de veelomvattende vernieuwing van de Van Brienenoordbrug bij Rotterdam is Rijkswaterstaat 2 september jl. gestart met een derde aanbesteding: van de bouw van de nieuwe boogbrug ter vervanging van de huidige boogbrug aan de westzijde.
Geïnteresseerde (staal)bouwbedrijven kunnen (tot 7 oktober a.s.) inschrijven op de aanbesteding via TenderNed. Voor eind dit jaar staat de dialoogfase op de rol. De gunning volgt naar verwachting in de zomer van 2027.
Rijkswaterstaat heeft het definitief ontwerp van de nieuwe boogbrug al klaar liggen. Het (staal)bouwbedrijf dat de opdracht krijgt toebedeeld, wordt verantwoordelijk voor uitwerking van het DO tot uitvoeringsontwerp en daarna voor de bouw van de boogbrug.
Om verkeershinder te voorkomen, de veiligheid niet in het gedrang te laten komen én vanwege ruimtegebrek laat Rijkswaterstaat de nieuwe brug niet bij de eindlocatie bouwen, maar op een aparte bruggenwerf op het Duivelseiland in Dordrecht. Hier kan de aannemer onder gecontroleerde condities de gehele constructie opbouwen. Naar verwachting in 2030 wordt de complete brug over het water naar de eindbestemming gevaren en neergezet op de plek van de huidige westboog uit 1990.
Daarna gaat de oude westboog op transport naar de werf in Dordrecht voor een grondige renovatie. Volgens de projectplanning keert de gerenoveerde boog vervolgens in 2032 terug naar De Van Brienenoord als vervanger van de bestaande oostbrug uit de jaren ’60.
De ‘transformatie’ van de oude westboog tot nieuwe oostboog is het onderwerp van een vierde aanbesteding, gepland voor 2027. Als eerste is, begin dit jaar, de vernieuwing van het beweegbare deel van de brug aanbesteed (en gegund aan FCC Construcción). Waarschijnlijk volgende maand volgt de tweede aanbesteding, van transport en installatie van de bogen.
Aanbesteding nummer drie is volgens Wop Schat, projectdirecteur bij Rijkswaterstaat, ‘een prestigeklus voor aannemers en staalbouwers, met een lange doorlooptijd en een hoge zichtbaarheid. Een unieke opgave die zelden voorbijkomt’.
Bij de beoordeling van de inschrijvingen op het EC-contract gaat ‘aantoonbare ervaring met vergelijkbare projecten’ zwaar meewegen, gelet op de omvang en het gewicht van de brug en de ‘harde’ tolerantie-eisen.
Eind dit jaar steekt de dialoogfase van wal met een startbijeenkomst. In deze fase kunnen geïnteresseerde bedrijven hun vragen stellen over onder meer planning en logistiek. De vormgeving van de nieuwe brug zal niet al te zeer afwijken van de huidige. Het beeld van de vertrouwde, karakteristieke toegangspoort tot de regio moet behouden blijven.
De werkzaamheden zouden eind juni volgen jaar moeten beginnen. Voltooiing is voorzien voor eind juni 2030.
De werf voor bruggenbouw bij het Duivelseiland in Dordrecht is nog niet aangelegd. Hiervoor loopt inmiddels ook een aanbesteding. Rijkswaterstaat wil de werf voor minimaal 30 jaar gaan gebruiken als regionale ‘hub’ voor circulaire renovatie en logistiek. De bouw van de nieuwe boogbrug van de Van Brienenoord wordt er de eerste klus.
Het gehele project A16 – vernieuwen Van Brienenoordbrug loopt nog door tot 2033.

3 augustus 2026

De digitale economie heeft servers nodig. Servers hebben datacenters nodig. Door de groeiende bedrijfsmatige inzet van AI, big data, internet of things en robotisering groeit ook de behoefte aan huisvesting voor de benodigde, gedeelde ‘hardware’. Hierdoor vormen datacenters onderhand een nieuw segment van de utiliteitsbouw. Dit nieuwe segment vertoont gelijkenissen met vertrouwde onderdelen zoals productie- en logistiek vastgoed (fabrieken, werkplaatsen, magazijnen, distributiecentra). Maar datacenters brengen wel een andere bouwopgave met zich mee.
De digitale economie maakt sinds enkele jaren een stormachtige ontwikkeling door, wereldwijd en in Nederland. In de wereld wordt tot 2030 naar verwachting ruim 5.200 miljard dollar geïnvesteerd in IT-infrastructuur. Alleen al dit jaar trekken de grote Amerikaanse techbedrijven er gezamenlijk zo’n 700 tot 750 miljard dollar voor uit.
In ons land vertaalt deze ontwikkeling zich in flink meer vraag naar IT-vermogen. Momenteel ligt dat op ruim 1,5 gigawatt. De Dutch Data Center Association verwacht binnen afzienbare tijd een toename naar zo’n 2,8 gigawatt. Daarbij worden datacenters ‘de fysieke onderlaag van de nieuwe economie’, zoals de NVM ’t stelt in haar jongste Business Magazine.
Datacenters hebben ondertussen al een substantieel aandeel in de totale productie van de utiliteitsbouw in Nederland. De utiliteitsbouw heeft er eigenlijk een segment bijgekregen. Dat nieuwe segment onderscheidt zich van de andere, bestaande u-bouwsegmenten door de toch wel ándere vraag en bouwopgave.
Bij een datacenter draait ’t vooral om wat er in moet; om de installaties en niet zozeer om de bouwkundige afwerking of indeling, of het interieur. Een datacenter is driekwart installatie en een kwart gebouw, wordt weleens gezegd. Voor opdrachtgevers, eigenaren, beheerders en gebruikers zit de waarde van een datacenter primair in de energievoorziening, koeling, ventilatie, noodstroomvoorziening, toezicht en inspectie, zodat de servers dag en nacht in bedrijf blijven.
Een datacenter vraagt ook om een hoog tempo van bouwen. Uiteraard wordt dat verlangen ook gekoesterd in andere takken van utiliteitsbouw, zeker bij bijvoorbeeld kantoren voor de markt. Hoe hoger het bouwtempo, hoe eerder de oplevering en ingebruikname, hoe eerder opbrengsten uit verhuur of verkoop. Bij een datacenter luistert de bouwsnelheid nog nauwer. Een datacenter moet geld verdienen. Elke maand eerder opleveren, is een maand meer inkomsten.
Het bouwen van datacenter moet dan ook snel, voorspelbaar en beheersbaar gebeuren. Geprefabriceerd, gestandaardiseerd en modulair bouwen is daarmee de aangewezen methode.
Gebouwen voor de digitale economie vormen al een serieus segment van de Nederlandse utiliteitsbouw en dat segment blijft in omvang toenemen, melden zowel Dutch Data Center Association als de NVM. Beide organisaties waarschuwen niettemin ook voor obstakels en limieten.
Een datacenter heeft doorgaans een grote kavel nodig met een ‘zware’ aansluiting op het elektriciteitsnet. Dergelijke kavels zijn echter schaars, zo ook de ruimte op het net. In drukke, relatief dichtbebouwde regio’s staan datacenters in dezelfde wachtrij voor capaciteit op het net als bedrijfsgebouwen en woningen.
De rem op datacenter wordt echter evenzeer veroorzaakt door trage vergunningsverlening en het tekort aan vakmensen binnen de techniek en de bouw. Bovendien is het de vraag of de bouwsector de snelheid van bouwen die binnen dit nieuwe segment wordt geëist, ook daadwerkelijk kan ‘leveren’.
Bedrijven die zich uitsluitend op de laagste prijs onderscheiden, staan binnen dit segment al op voorhand met 1-0 achter. Wie prefabriceert, assembleert, efficiënt organiseert, vertraging voorkomt en risico’s verlaagt, sluit aan op de logica van opdrachtgevers in dit segment.
Met de verwachte groei van het bouwsegment, zal ook meer grootschalig en expliciet industrieel, gestandaardiseerd en modulair worden gebouwd. Als dat in dit segment zijn vruchten afwerpt, in termen van snelheid, beheersbaar én kwaliteit, zou dat het industrieel, gestandaardiseerd en modulair bouwen in andere segmenten nog vaster in het zadel zetten en een extra impuls kunnen geven.
6 juli 2026

Het ministerie van Defensie, het Rijksvastgoedbedrijf en diverse grote marktpartijen hebben een concreet plan klaarliggen voor ‘de grootste vastgoeduitbreiding in de geschiedenis van de nationale krijgsmacht’. Met het accent op gestandaardiseerd, industrieel bouwen.
Een drietal decennia lang is vastgoed bij het ministerie van Defensie toch een beetje het stiefkindje geweest. Beschikbare budgetten gingen vooral naar legermaterieel; op onderhoud en vernieuwing van de gebouwenvoorraad en bijbehorende infrastructuur werd beknibbeld. Hoe anders is de situatie anno 2026. Nederland investeert in defensie en Defensie gaat nu ook flink investeren in vastgoed. Het ministerie van Defensie, het Rijksvastgoedbedrijf en diverse grote marktpartijen hebben een concreet plan klaarliggen voor ‘de grootste vastgoeduitbreiding in de geschiedenis van de nationale krijgsmacht’. Met het accent op gestandaardiseerd, industrieel bouwen.
De opgave is enorm: komende vier jaar moet defensie er 2,4 miljoen gebouwde vierkante meters bijkrijgen: 1,2 miljoen vierkante meters via sloop en vervanging en 1,2 miljoen in de vorm van nieuwbouw. Dat is nodig om per 2030 100.000 medewerkers onderkomen te bieden, zo’n 20.000 meer dan nu. Ná 2030 groeit de defensieorganisatie mogelijk nog door naar 200.000 ‘manschappen’ en zijn nog eens 2 miljoen vierkante meters extra vereist.
Om die urgente grootschalige opgave doelmatig en doeltreffend aan te pakken, hebben Defensie en het Rijksvastgoedbedrijf zich verenigd in de Commandopost Vastgoed (CPV). Ook bouwondernemingen zoals BAM, Ballast Nedam, Dura Vermeer en Heijmans en ingenieursbureaus als Antea, Arcadis en Sweco nemen deel. Hierdoor ontstaat een publiek-private samenwerking om onderhoud, vervanging en nieuwbouw van het defensievastgoed op het gewenste peil te krijgen.
In het ‘aanvalsplan’ van het publiek-privaat collectief staat industrieel en gestandaardiseerd bouwen centraal. Meer dan driekwart van de opgave dient te worden gebouwd via productie in de fabriek en assemblage op de bouwplaats. Het grootste deel van het defensie-areaal leent zich hier ook voor: het betreft voornamelijk legeringsgebouwen en kantoorgebouwen. Bovendien moet het snel, betaalbaar en duurzaam gebeuren en dan ligt deze bouwwijze voor de hand.
Het nieuwe plan dekt alleen bestaande en nieuwe (verblijfs)gebouwen en bijbehorende infrastructurele voorzieningen en terreinen. Landingsbanen, oefenterreinen, munitiedepots en andere faciliteiten voor de operationele landsverdediging blijven hier buiten beschouwing.
Opdrachten gaan ook niet als vanzelfsprekend naar de marktpartijen die participeren in de CPV. Werken worden a priori openbaar aanbesteed, alle geïnteresseerde partijen kunnen inschrijven.
De eerste opdrachten zijn al wel gegund. Van Wijnen en Plegt-Vos hebben raamcontracten ondertekend voor de bouw van geprefabriceerde legeringsgebouwen. De eerste gebouwen worden al dit jaar opgeleverd op de vliegbases Leeuwarden en Volkel. In totaal is met de contracten zo’n 200 miljoen euro gemoeid. De totale waarde kan op termijn nog oplopen tot zo’n 700 miljoen.
Het industrieel bouwen voor defensie zou ook wel eens uitkomst kunnen bieden bij de woningbouwopgave. Nu draaien de fabrieken voor industriële productie van woningen bijvoorbeeld nog lang niet op volle toeren. ‘Dit gaat echt helpen, het kan een vliegwiel zijn. Alle bouwers hebben nu moeite om hun fabrieken gevuld te krijgen’, stelde Carla Rodenburg, de COO van BAM, onlangs nog op de PROVADA.
Geprefabriceerd bouwen wordt ook het leidmotief voor renovatie en vervanging van defensievastgoed. Defensie en het Rijksvastgoedbedrijf zagen er aanvankelijk alleen heil in voor nieuwbouw, maar op aandringen van de bouwers in de CPV is het toepassingsgebied uitgebreid naar renovatie en vervanging.
Net als in de ‘reguliere’ woning- en utiliteitsbouw, zal ook defensiebouw hinder ondervinden van de congestie op het elektriciteitsnet en de heersende stikstofproblematiek. Temeer omdat ’t snel moet bij defensie. ‘Dus moeten we nu prioriteiten stellen’, stelt Gerja Koldenhof die samen met Cees van Boven de directie van Commandopost Vastgoed vormt. ‘Locaties waar wél snel gestart kan worden, krijgen daarom voorrang.’
De CPV werkt daartoe aan een zogeheten dealflow, waardoor tijdig bekend is welke projecten wanneer op de markt komen en potentiële opdrachtnemers hierop kunnen voorsorteren met personeel en materieel.
• Meer over Defensievastgoed en de CPV
22 juni 2026

Zo komen Rijkswaterstaat en ProRail, de twee grote infra-organisaties, per 2025 gezamenlijk tientallen miljarden euro’s tekort. Rijkswaterstaat ziet zich voor het tijdvak 2025 tot 2039 gesteld voor tekort van ruim 20 miljard voor het onderhoud en de noodzakelijke vernieuwing van het hoofdwegennet. Voor het hoofdvaarwegennet en het hoofdwatersysteem mist de landelijk beheerder over dezelfde periode nog eens 11 miljard euro, respectievelijk 3 miljard euro. Bij ProRail is het gat in de meerjarenbegroting volgens de Rekenkamer van vergelijkbare omvang. Het budgettekort van de beide organisaties tezamen gaat de komende 15 jaren oplopen tot (ver) boven 34 miljard.
Dat het financiële tekort al jaren toeneemt en de komende jaren blijft toenemen, zit ‘m volgens de Algemene Rekenkamer mede in het uitstel van onderhoud of vernieuwing. Hierdoor worden problemen niet, niet tijdig of niet afdoende opgelost en nemen ze verder in ernst en omvang toe. ‘Elke euro die nu niet in een brug of sluis gaat, kost later twee euro’, aldus de Rekenkamer.
Het patroon van uitstellen en oplappen is bovendien hardnekkig structureel, vindt de Algemene Rekenkamer. Al jaren lang krijgen tijdelijke maatregelen meer dan eens de voorkeur boven noodzakelijke, permanente ingrepen en worden werkzaamheden maar al te vaak op de lange baan geschoven. Hierdoor loopt de conditie van infrastructurele voorzieningen verder terug, nemen storingen toe en groeit het risico op onverwacht falen van vitale verbindingen.
De consequenties van het ‘pappen en nathouden’ laten zich volgens de Rekenkamer bijvoorbeeld voelen bij oudere bruggen en viaducten. Afgelopen jaren zijn bij tientallen exemplaren constructieve gebreken geconstateerd. Bij dergelijke aantallen en de gegeven financiële mogelijkheden is het Ministerie van Infrastructuur genoodzaakt om pijnlijke prioriteiten te stellen, zoals verlengd of aanvullend toezicht of tijdelijke ingrijpen ter borging van de veiligheid in plaats van die definitieve interventie die het kunstwerk nodig heeft. Met de wetenschap dat de druk op de instandhoudingsopgave alleen maar oploopt, is transparantie over die keuzes in elk geval onontbeerlijk, aldus de Rekenkamer.
Bij Rijkswaterstaat zijn de perikelen niet alleen financieel van aard, stelt de Rekenkamer. Naast geldgebrek, worstelt de dienst met een verouderend areaal in combinatie met voortdurende toename van de gebruiksintensiteit en daarmee de belastingen, met klimaatverandering, stikstofproblemen, een krappe arbeidsmarkt en met een beperkte beschikbaarheid van grondstoffen en producten, die er bovendien niet goedkoper op worden. Om zich hieraan te ontworstelen, heeft de organisatie een ingrijpend reorganisatieprogramma op touw gezet: ‘Samenhangend Toekomstperspectief’, dat dient te resulteren in effectiever en efficiënter werken zónder inzet van extra personeel.
Het inkoopbeheer van de organisatie toont inmiddels zichtbare verbetering, constateert de Algemene Rekenkamer na het Verantwoordingsonderzoek over 2025. Maar daarmee kan Rijkswaterstaat nog niet rustig achteroverleunen. Vooralsnog schort ’t volgens de Rekenkamer aan tijdige publicatie van contractwijzigingen, volledigheid van contractregisters en opvolging van interne controles. Ook de aanbestedingen van de rijksdienst lopen nog niet op rolletjes.
Toch ligt de bal volgens de Rekenkamer vooral bij de regering. Bewindvoerders dienen nu eindelijk de structurele keuzes te maken die de instandhoudingsopgave binnen de Nederlandse infrastructuur al jaren vereist. Deze opgave overstijgt al lang en breed het niveau van ‘begrotingstechnisch ongemak’. Veroudering, klimaatverandering, personeelsgebrek en sinds enkele jaren ook de gevolgen en risico’s van geopolitieke spanningen en conflicten, stapelen zich op binnen een systeem dat al jaren onder-gefinancierd functioneert.
De actuele NAVO-norm zou echter best eens financieel soelaas kunnen bieden, vermoedt de Rekenkamer. Deze norm stelt dat elk NAVO-land (minimaal) 5 procent van het bruto binnenlands product dient te reserveren voor defensie. Een deel van dit (extra) defensiegeld mag worden gestoken in ‘kritische infrastructuur’. Laten meerdere corridors van de internationale veiligheidsorganisatie nu over Nederlands grondgebied lopen. Wegen, spoorlijnen, bruggen, sluizen, tunnels, havens, ze moeten geschikt zijn en blijven voor militaire transporten.
Het ministerie van IenW is inmiddels gestart met een inventarisatie van projecten die binnen de NAVO-norm vallen. Daarbij kijkt het departement naar maatregelen op auto-, spoor- en vaarwegen, maar ook naar de gewenste versterking van de weerbaarheid op de Noordzee.
Hoeveel geld er werkelijk naar infrastructuur gaat, is volgens de Rekenkamer nog niet duidelijk. Daarvoor is ’t ook nodig om duidelijke kaders te stellen voor investeringen die wel of niet onder de norm vallen. Pas dan kan de instandhoudingsopgave voortvarend worden opgepakt.
9 juni 2026

Het Bouwakkoord Staal introduceert www.hergebruik-staal.nl. Deze nieuwe website laat opdrachtgevers, architecten, constructeurs en andere geïnteresseerden nader kennismaken met de praktische mogelijkheden van staal voor circulair ontwikkelen, ontwerpen en bouwen. Dat gebeurt aan de hand van recente voltooide gebouwen en bruggen die (mede) mogelijk zijn gemaakt door het direct hergebruiken van ‘tweedehands’ staalconstructiedelen.
De website biedt vooral ruim baan aan projecten waarin elementen of componenten van gedemonteerde staalconstructies zijn hergebruikt, zoals Circulair Paviljoen KAAP in Amsterdam en Doorlaatpost 90 op Schiphol, maar ook Parkeergarage Foodspot in Utrecht en de Lamgatsebrug over de Mark bij Moerdijk.
Ook andere vormen van circulair bouwen met staal komen in aanmerking, zoals demontage en herbouw van een bestaande staalconstructie op een nieuwe locatie, al of niet voor een nieuwe functie. Voorbeelden zijn de Tijdelijke Rechtbank Amsterdam die inmiddels dienstdoet als Techbank in Enschede) en het Zuiderstrandtheater Scheveningen dat een tweede leven begint in Theater De Lievekamp in Oss.
Elk project op www.hergebruik-staal heeft een eigen pagina met een korte projectbeschrijving, projectgegevens, foto’s, impressies, tekeningen en links naar video’s en (online) publicaties. Het ‘projectdossier’ is compleet met de ‘Ervaringen projectpartners’. In dit onderdeel delen de direct betrokken ontwerpers en bouwers hun kennis, inzichten en belevenissen in het hergebruiken van staal in hun projecten. Ter informatie en inspiratie, voor wie óók circulair wil ontwikkelen, ontwerpen en bouwen met staal.
De nieuwe website is een van de uitkomsten van het Bouwakkoord Staal-project ‘De ontwikkeling van een circulair ecosysteem voor staal in de bouw’. In dit project zet een consortium van vertegenwoordigers van verschillende disciplines in de staalbouwketen zich in voor de doorbraak van een circulaire staalbouweconomie, waarin stalen bouwproducten zo lang mogelijk en op een zo hoog mogelijk niveau worden toegepast. Het hergebruik van staal uit afgedankte gebouwen en civiele werken en het ontwikkelen, ontwerpen en bouwen op basis van hergebruik en herbruikbaarheid behoren dan ook tot de speerpunten van het ketendoorbraakproject.






24 april 2026

Tot 1 juni a.s. kunt u uw (staal)bouwprojecten inzenden voor deelname aan de Nationale Staalprijs 2026.Deelname staat open voor projecten die in 2025 of 2024 zijn opgeleverd of in gebruik genomen. Inschrijven is mogelijk via www.nationalestaalprijs.nl/#inschrijven.
De Nationale Staalprijs is de tweejaarlijkse prijs van Bouwen met Staal, bestemd voor voorbeeldige en inspirerende toepassingen van staal in gebouwen en woningen en onderdelen daarvan. Deelnemen aan de editie 2026 kan met projecten, zowel nieuwbouw als renovatie, die in 2025 of 2024 zijn opgeleverd of in gebruik genomen.
De inzendingen nemen deel in een van de categorieën: utiliteitsbouw, industriebouw, woningbouw of karakteristieke stalen bouwdelen. Tot deze vierde categorie behoren onder meer stalen gevels en daken, atria, luifels, trappen, balkons en openbaar kunstbezit.
Daarnaast kunnen de inzendingen meedingen naar de Nationale Hergebruiksprijs Staal 2026. Deze categorie-overstijgende prijs gaat naar het project waarin de mogelijkheden van (toekomstig) hergebruik van stalen constructies en constructiedelen optimaal en op navolgbare wijze zijn benut.
Behalve projecten op Nederlands grondgebied kunnen ook projecten op vreemde bodem meedoen. Bij deze buitenlandse projecten dienen minimaal twee projectpartners de Nederlandse nationaliteit te bezitten, bijvoorbeeld het architectenbureau en het staalconstructiebedrijf.
De genomineerden voor de prijs worden in juli bekend gemaakt. Bekendmaking en huldiging van de winnaars vindt plaats tijdens de Staalbouwdag, donderdag 8 oktober a.s. bij AFAS in Leusden.
13 maart 2026

De NTA 8713 Hergebruik van constructiestaal is nu drie jaar jong. Sinds de eerste publicatie door het NEN, in juni 2023, heeft deze Nederlandse Technische Afspraak zijn weg al gevonden naar de Nederlandse utiliteitsbouw. Maar ook de infra-sector zou veel baat hebben bij een uniforme methodiek voor direct hergebruik van eerder gebruikte stalen constructiedelen, zoals nu voor de B&U in de NTA 8713 vastligt.
Daartoe willen uitgever NEN en initiator Bouwen met Staal een herziening van de huidige uitgave in gang zetten. Voornaamste vertrekpunt daarbij is om de procedures en aanbevelingen in de NTA een grotere reikwijdte te geven, zodat ze tevens bruikbaar worden bij nieuwbouw en renovatie van bruggen en projecten met damwanden. Een NTA met een breder richtinggevend kader draagt bij aan een bredere, segment-overstijgende toepassing van ‘tweedehands’ constructiestaal. En dat brengt de alom gewenste, integrale circulaire bouweconomie weer een stuk dichterbij.
De publieke opmaat voor de herziening van de Afspraak wordt aankomende vrijdagmiddag 17 april gegeven bij het NEN in Delft. Tijdens de startbijeenkomst ‘Herziening NTA 8713: hergebruik stalen constructiedelen’ worden de aanleiding, beweegredenen, doelen en de beoogde scope en strekking van een gewijzigde NTA 8713 openbaar gemaakt. Samen met de deelnemers wordt van gedachten gewisseld over wat nodig is om het hergebruik van staalconstructie-elementen breder en meer praktisch toepasbaar te maken en hoe de NTA hierin kan voorzien.
Bij interesse kunnen deelnemers zich tijdens de bijeenkomst (of erna) melden voor deelname aan de werkgroep die de herziening ter hand gaat nemen. Het NEN wil deze werkgroep zo breed en divers mogelijk samenstellen. Zowel opdrachtgevers, adviseurs en ontwerpers als aannemers, staalbouwers, demontagespecialisten en medewerkers van verzekeringsmaatschappijen en keurende en toetsende organisaties zijn van harte welkom. Net als bij de startbijeenkomst, vrijdag 17 april a.s. vanaf 12:30 uur bij NEN Delft.
18 februari 2026

In veel sectoren van de Nederlandse economie is de decarbonisatie, de transitie naar koolstofarme of koolstofvrije productieprocessen, in volle gang. Toch moet het tempo van de overgang omhoog om zicht te houden op het bereiken van de klimaatdoelen per 2030. Dat stelt ABN-AMRO in het analyserapport Emissiekloof Nederland richting 2030.
In het rapport belicht de bank de achtergronden en context van de vooralsnog te trage transitie. De initiatieven tot decarbonisatie zijn talrijk, ook de best practices liggen onderhand voor het oprapen. Het 2030-doel (55% emissiereductie t.o.v. het niveau van 1990) is vooralsnog voor slechts enkele economische sectoren reëel haalbaar. Vooral de energie-intensieve industrie, waaronder de basismetaalindustrie, staat nog voor de grote uitdaging om de beoogde en vaak al beproefde koolstofarme fabricage daadwerkelijk te implementeren.
Vaak zijn de technologieën al voorhanden en binnen afzienbare tijd rijp voor toepassing. Een snelle overstap wordt echter geremd door de rest-levensduur van bestaande, kostbare installaties, beperkingen van de bestaande infrastructuur, de hoge investeringskosten en onzekerheden rond bijvoorbeeld beschikbaarheid en toevoer van alternatieve grondstoffen (zoals schroot) en de congestie op het elektriciteitsnetwerk.
Het actuele emissiehandelssysteem van de EU (EU-ETS) is volgens ABN AMRO wel een waardevol instrument om de grotere uitstoters van broeikasgassen binnen de Nederlandse industrie te stimuleren tot (sneller) verduurzamen. Elk jaar weer wordt het aantal vrije emissierechten omlaag gebracht (en daarmee de druk op de EU-ETS-veilingprijs opgevoerd). Hierdoor worden bedrijven er steeds meer toe aangezet om hun uitstoot te verminderen. Inmiddels valt bijna 80 procent van alle uitstoot door de Nederlandse industrie onder de EU-ETS.
Om de gestelde klimaatdoelen te halen, is het echter belangrijk dat de energie-intensieve industrie bij haar verduurzamingsambities en -acties wordt ondersteund via een vast regie en consistente keuzes van de overheid, aldus ABN AMRO. Want als de industrie achter blijft lopen op het ‘transitieschema 2030’, kan dat uiteindelijk ten koste gaan van de internationale concurrentiekracht van Nederland, waarschuwt de bank.
Klimaatvriendelijk produceren kan, naast ecologisch, ook blijvend economisch voordeel opleveren, benadrukt ABN AMRO in het analyserapport. Bedrijven die écht minder (fossiele) energie en brandstof verbruiken en hierdoor een lagere uitstoot hebben, besparen aantoonbaar op bedrijfs- en kapitaalkosten, halen een hogere omzetgroei en zijn beter bestand tegen een ongunstige conjunctuur of geopolitieke onrust.
• Het rapport ‘Emissiekloof Nederland richting 2030’ op deze ABN AMRO-webpagina te lezen en als PDF te downloaden.
20 februari 2026

In de paper verkent De Bouwcampus de transitie van het aanbesteden per individueel project naar een meer gestandaardiseerde benaderings- en werkwijze die toepasbaar is bij een ‘familie van projecten’ tegelijk dan wel herhaalbaar is bij een vergelijkbaar project. Dat maakt het aanbestedingsproces volgens De Bouwcampus meer transparant en voorspelbaar, verbetert de continuïteit en samenwerking, verhoogt de snelheid en ‘t belooft lagere transactiekosten.
De paper levert daartoe het raamwerk in de vorm van 16 ‘bouwstenen’ die antwoord geven op vragen rond onder meer contractkeuze, selectiecriteria, prijsmechanismen, risicoverdeling en samenwerking. De bouwstenen hangen duidelijk onderling samen, waardoor ze als geheel niet zozeer een stappenplan als wel een gemeenschappelijke taal bieden om het seriematig aanbesteden doelgericht, rechtmatig en uitvoerbaar te organiseren, mét daarbij voldoende ruimte voor de procespartners om kennis, inzichten en en ervaringen uit te wisselen.
Samenwerking staat ook aan de basis van de publicatie zelf. ‘Bouwstenen voor seriematig aanbesteden’ is het product van gesprekken en werksessies binnen De Bouwcampus met meer dan 150 professionals van overheden en marktpartijen. De uitgave is het eerste deel van een toekomstig tweeluik. Deel 1 beschrijft de aanleiding, motivatie, strategie en het perspectief van seriematig aanbesteden. Op dit ‘fundament’ wordt voortgebouwd in deel 2, dat in de loop van dit jaar verschijnt. Het tweede deel is bedoeld als een soort ‘doe-boek’, waarbij de inzet van de bouwstenen in de aanbestedingspraktijk wordt uiteengezet aan de hand van afwegingskaders, aanbevelingen en voorbeelden. Tezamen gaan de beide delen werken als één breed toepasbaar handelingsperspectief voor opdrachtgevers en hun (toekomstige) projectpartners.
24 januari 2026

Het CBAM – voluit: Carbon Border Adjustment Mechanism – is per 1 januari 2026 eveneens financieel van kracht. Voortaan is een bedrijf binnen de EU, dat per jaar meer dan 50 ton staal of aluminium importeert vanuit landen buíten de EU, verplicht een extra belasting te betalen over het aantal tonnen CO2 dat bij de fabricage is vrijgekomen.
Het CBAM maakt deel uit van het herziene emissiehandelssysteem van de EU en voorziet in een heffing op de import van CO2-intensieve producten die buiten de EU zijn vervaardigd. Niet alleen staal en aluminium, ook ijzer, cement, kunstmest, waterstof en elektriciteit zijn CO2 intensief en komen daarmee voor de heffing in aanmerking.
De importheffing vanuit het Carbon Border Adjustment Mechanism is in beginsel gelijk aan de CO2-heffing die geldt voor eenzelfde product als dit product bínnen de unie is gefabriceerd. Financieel-economisch doel van het mechanisme is om op EU-grondgebied een ‘level playing field’ te bewerkstelligen (óf te behouden) voor producenten binnen en buiten de EU. Middels de CO2-heffing aan de EU-grenzen hebben fabrikanten van buiten de unie die in hun land aan minder strenge klimaatnormen hoeven te voldoen, géén concurrentievoordeel ten opzichte van fabrikanten ín de unie die zich moeten houden aan meer strikte milieuvoorschriften.
Vanuit een breder duurzaamheidsperspectief, beoogt het CBAM een bijdrage te leveren aan het verminderen van de emissies van CO2 als gevolg van productieprocessen buiten de EU. Het CBAM vloeit dan ook voort uit de Europese Green Deal. Volgens de Europese Unie zijn alle CO2-intensieve producten tezamen verantwoordelijk voor bijna 40 procent van het totaal aan emissies van broeikasgassen in de wereld.
Het CBAM is al op 1 oktober 2023 ingevoerd. Sindsdien moeten bedrijven die CO2-intensieve goederen van buiten de EU invoeren, zelf rapporteren hoeveel CO2-uitstoot bij de productie van deze goederen is vrijgekomen. Bij deze rapportageverplichting is vanaf 1 januari van dit jaar een betalingsverplichting gekomen.
Niet alleen vanwege de vereiste rapportage, maar ook om een onterecht hoog heffing voor te zijn, is ’t voor importerende bedrijven zaak om zoveel mogelijk de ‘werkelijk geïntegreerde emissies’ op te geven, op basis van emissiedata van de buitenlandse fabrikant of leverancier/exporteur. Vóór gebruik van deze data moet de importeur wel controleren of de buitenlandse fabrikant of leverancier beschikt over de juiste EU-goedkeuring.
Zijn geen emissiedata van de fabrikant of leverancier voorhanden, dan mag worden teruggevallen op standaard emissiewaarden die de Europese Commissie heeft vastgesteld per land en per productgroep. Een complete lijst met emissiewaarden die met ingang van 1 januari 2026 geldig zijn, vindt u hier. Doorgaans zijn de standaardwaarden hoger dan de werkelijke waarden, waardoor de importheffing in beginsel ook hoger uitvalt.
Om hiervan een betrouwbare indicatie te krijgen, biedt de Nederlandse Emissieautoriteit (NEA) sinds kort de gratis CBAM-Kostencalculator. Deze tool berekent de kosten aan de hand van standaardwaarden voor een product, maar de gebruiker kan ook eigen data invoeren.
Het rapporteren dient te gebeuren in een CBAM-register. Import in de periode 1 oktober 2023 tot en met 31 december 2025 moet worden gerapporteerd in een overgangsregister. Voor rapportage van import vanaf 1 januari 2026 is het definitieve register beschikbaar. Beide registers en informatie en aanvraag voor toelating zijn te vinden via de website van de NEA.
Om binnen de Europese Unie het speelveld voor interne en externe producenten nog verder te ‘egaliseren’, wil de Europese Commissie de verzameling producten die onder CBAM vallen, verder uitbreiden. Naar verwachting met ingang van 1 januari 2028 wordt de huidige CBAM-collectie aangevuld met een scala aan producten, waaronder wasmachines, industriële robots, verschillende productiemachines, elektromotoren en elektrakabels.